Bedrog in een juridische procedure terwijl er geen mogelijkheid meer is tot beroep. En nu?

Bij een juridische procedure wordt een kwestie ter beoordeling voorgelegd aan een rechter. Uiteraard kan één van de partijen het niet eens zijn met het oordeel van de rechter. Om deze reden bestaat de mogelijkheid van hoger beroep. Als dit gewenst is, dan wordt de procedure in beroep voorgelegd aan een gerechtshof. Eventueel is het nog mogelijk voor de partij die het nadien (nog) niet eens is met het oordeel in hoger beroep om in cassatie te gaan bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt niet meer inhoudelijk over de feiten maar kan ingrijpen als er procedureel iets niet goed is verlopen. In dat geval zal de Hoge Raad de zaak terugverwijzen naar een ander gerechtshof om de zaak te beoordelen of wellicht zal hij de zaak zelf afdoen. Wanneer de laatste mogelijkheid van cassatie is doorlopen, dan ligt het oordeel vast. De partij die het met de uitkomst niet eens is, zal zich simpelweg bij het oordeel neer moeten leggen.

In een enkel specifiek geval kan het toch anders verlopen, zo bleek ook uit het arrest van het gerechtshof Den Bosch van 12 december 2017. De kwestie betrof een discussie tussen een horeca onderneming en haar drankleverancier. Zoals zo vaak in de verhouding tussen dergelijke partijen had de leverancier (een vennootschap onder firma) aan de horecaondernemer een geldlening verstrekt. Afgesproken werd dat deze niet behoefde te worden afgelost. De bonussen waarop de horecaondernemer jaarlijks recht zou hebben zouden daarentegen worden verrekend met de lening.

Op enig moment werd de in de vennootschap onder firma geëxploiteerde horecaonderneming  ingebracht in een BV. Deze BV ging verder met de samenwerking met de drankenleverancier. Eén van de vennoten droeg kort nadien zijn aandelen in de BV over  en startte een andere onderneming. Deze onderneming zocht haar heil bij een andere drankenleverancier.

Omdat de geldlening niet was afgelost, sprak de drankenleverancier de V.O.F. en dus ook de uitgetreden vennoot aan. En stelde, en verklaarde zelfs in rechte, dat de bonussen steeds waren uitgekeerd aan de V.O.F. in plaats van verrekend. De V.O.F. diende de lening dus nog terug te betalen. Op basis hiervan werd de V.O.F. en daarmee ook de uitgetreden vennoot zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veroordeeld om de lening terug te betalen.

Op enig moment bleek echter dat de stelling van de drankenleverancier inhoudende dat de bonussen waren uitgekeerd aan de V.O.F. onjuist was. De bonussen waren weliswaar uitgekeerd maar aan de BV. Het totaal te verrekenen bonusbedrag overschreed het bedrag van de lening.  Zouden de bonussen dus conform afspraak zijn verrekend dan bestond er geen vordering op de V.O.F. meer.

Gelukkig biedt de wet In dergelijke situaties voor de V.O.F. nog één uitkomst.  Een  rechterlijke instantie die het laatst over een kwestie heeft geoordeeld is bevoegd haar vonnis (of arrest) te herroepen indien:

  • Het vonnis berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;
  • Het vonnis berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend, of is vastgesteld;
  • De partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

Het gerechtshof werd derhalve verzocht haar vonnis te herroepen en alsnog de vordering van de drankenleverancier af te wijzen. Geoordeeld werd dat de drankenleverancier bedrog had gepleegd. Het deed er daarbij niet toe dat de onjuiste mededeling niet opzettelijk werd gedaan maar simpelweg berustte op een fout van de medewerker van de drankenleverancier.  Het arrest werd herroepen en de vordering van de drankenleverancier werd alsnog afgewezen.

Een vordering tot herroeping kan slechts worden ingesteld als er geen instantie meer openstaat en het oordeel dus definitief is geworden. Daarbij moet een rechtsmiddel als herroeping worden ingesteld binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de partij daarmee bekend is geworden. 

Heeft u vragen over herroeping? Neemt u dan contact op met mr. Arnold Gras.

uitspraak

Gepubliceerd op

30-01-2018

Rechtsgebieden

Ondernemingsrecht