Gebruiksvergoeding echtelijke woning bij scheiding?

Vaak ontstaat er in het kader van een scheiding een geschil over wie in de echtelijke woning mag blijven wonen tot de woning kan worden toebedeeld aan een van de echtgenoten of deze moet worden verkocht.

Wanneer de echtgenoten gezamenlijk eigenaar zijn, blijven zij beiden verantwoordelijk voor de betaling van de eigenaarslasten van de woning. Daartegenover staat dat degene die de woning moet verlaten, aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding (artikel 3:189 lid 2, art 3:168 en 3:169 BW). Het is in dit verband niet noodzakelijk dat aan een van de echtgenoten het uitsluitend gebruik van de woning is toegekend.

 

De gebruiksvergoeding kan in beginsel ingaan vanaf het moment waarop de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden, derhalve vanaf indiening van het verzoek tot echtscheiding (artikel 3:189 lid 1 BW). In de jurisprudentie wordt echter veelvuldig aangesloten bij de datum waarop de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Rechters achten het veelal niet redelijk om over de huwelijkse periode een gebruiksvergoeding toe te kennen, nu echtgenoten verplicht zijn om elkaar in deze periode het nodige te verschaffen (de zogeheten fourneerplicht die is neergelegd in artikel 1:81 BW en 1:84 lid 2 BW). Zie in dit verband bijvoorbeeld het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9158.

 

Voor de woningcrisis werd voor het berekenen van de gebruiksvergoeding aangesloten bij de overwaarde die op de woning rustte. De gebruiksvergoeding werd gezien als een schadeloosstelling voor het feit dat het vermogen “vastzat in de woning” en door de echtgenoot die de woning moest verlaten niet zelf besteed of belegd kon worden. De vergoeding werd berekend door de helft van de overwaarde te vermenigvuldigen met een percentage. Voor de hoogte van dit percentage werd aangesloten bij het fiscale recht dat rendement van particuliere beleggingen forfaitair vaststelt en werd gerekend met een percentage van 4%.

 

Tijdens de woningcrisis kwam deze berekenmethode in het gedrang, omdat er veelal geen sprake meer was van een overwaarde. Indien aan de berekenmethode zou worden vastgehouden, zou er geen gebruiksvergoeding meer worden opgelegd, terwijl de woning gemeenschappelijk eigendom is en degene die niet het gebruik heeft elders moet wonen en daarvoor ook kosten moet maken. In de rechtspraak werd dit opgelost door een lager percentage te hanteren of de gebruiksvergoeding gelijk te stellen met het aandeel in de eigenaarslasten van de echtgenoot die de woning moest verlaten.

 

Inmiddels is de woningmarkt hersteld en wordt er weer een gebruiksvergoeding toegekend welke gebaseerd is op een percentage van de helft van de overwaarde. Met welk percentage gerekend zal worden, is echter onzeker. Er wordt niet “standaard” aangesloten bij het forfaitair rendement van box 3 voor beleggen.  In de rechtspraak is een zeer wisselend beeld te zien, waarbij het lijkt of de rechters aansluiten bij wat hen in die specifieke situatie redelijk acht. Zo wordt in het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9158 gerekend met een percentage van 2,5%, door het Gerechtshof Den Haag van 21 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3226 met een percentage van 4% en door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8055 met een percentage van 0,5%, gelet op de huidige vergoedingen op spaarrekeningen. Goed procederen, waarbij aandacht wordt besteed aan alle van belang zijnde feiten en omstandigheden, is hier dus noodzakelijk!

 

Heeft u vragen? Neemt u dan contact op met mr. Fleur Marquenie.

Berekening

Gepubliceerd op

14-01-2019

Rechtsgebieden

Personen- En Familierecht