Na drie jaar blijkt verbod op deelfietsen onrechtmatig, geen drie jaar vergoeding voor deelfietsenaanbieder

“Amsterdam haalt deelfietsen van straat”, berichtte de NOS op 1 augustus 2017. Drie jaar later bleek dat Amsterdam dit verbod niet mocht opleggen. Daarop probeerde een onderneming drie jaar omzet als schade vergoed te krijgen, maar daar gaat de rechter niet in mee.

Besluit blijkt uiteindelijk onrechtmatig

Een van de aanbieders van deelfietsen in de hoofdstad was Flickbike. Ook zij kreeg op grond van het daartoe genomen besluit van 29 september 2017 een last onder bestuursdwang opgelegd. Flickbike moest alle door haar te huur aangeboden deelfietsen die op of aan de openbare weg stonden, binnen drie weken uit de openbare ruimte verwijderen. Daarmee werd de Amsterdamse bedrijfsvoering van Flickbike, waarmee zij pas twee maanden eerder was gestart, feitelijk in de kiem gesmoord.

Flickbike heeft bezwaar ingesteld tegen de besluiten, maar dat bezwaar werd ongegrond verklaard. Het daaropvolgende beroep bij de rechtbank had evenmin succes. Vervolgens stelde Flickbike hoger beroep in bij de Raad van State, die haar op 22 juli 2020 alsnog in het gelijk stelde. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) bood namelijk geen grondslag voor het besluit. Het besluit was daarom onrechtmatig en de gemeente Amsterdam werd schadeplichtig jegens Flickbike.

Vier miljoen wordt twintigduizend euro

In de tussentijd had Flickbike bijna drie jaar lang geen fietsen kunnen aanbieden. Op 8 oktober 2020 vorderde zij een schadevergoeding van vier miljoen euro. De rechtbank kende uiteindelijk twintigduizend euro toe.

Vermogensvergelijking

Juridisch interessant aan deze zaak is de vermogensvergelijking: de methode waarmee in Nederland wordt vastgesteld óf schade is geleden en, zo ja, hoe groot die schade is. Daarbij wordt de werkelijke situatie vergeleken met de hypothetische situatie die zou hebben bestaan zonder het schadeveroorzakende feit.

Op het eerste gezicht ligt een eenvoudige vergelijking voor de hand: zonder het onrechtmatige besluit had Flickbike haar fietsdeelonderneming gedurende drie jaar kunnen exploiteren en de daarvan verwachte opbrengsten kunnen realiseren. Vanuit dat perspectief is haar omvangrijke schadevordering begrijpelijk.

Wat zou de gemeente hebben gedaan?

De rechtbank voegt aan deze vergelijking echter een extra dimensie toe door mede te betrekken wat de gemeente Amsterdam zou hebben gedaan indien zij in 2017 reeds had geweten dat de APV geen grondslag bood voor het verbod. De rechtbank overweegt dat de gemeente Amsterdam in dat geval voortvarend zou hebben gehandeld en alsnog een verbod in de APV zou hebben opgenomen, zodat vanaf 1 januari 2018 wél een grondslag voor handhavend optreden zou hebben bestaan. In die benadering zou slechts sprake zijn geweest van enkele maanden omzetverlies.

Dat is een verstrekkende redenering. Het is immers allerminst zeker dat deze hypothetische gang van zaken zich daadwerkelijk zou hebben voorgedaan. Daarbij komt dat het niet aan de dagelijkse besturen van de bestuurscommissies van de zeven Amsterdamse stadsdelen, die het besluit namen, was om de APV te wijzigen, maar aan de gemeenteraad. Bovendien zou een bestuursorgaan zich op deze wijze relatief eenvoudig aan aansprakelijkheid kunnen onttrekken met het argument: “als de bestaande grondslag onvoldoende was geweest, dan hadden wij de regelgeving wel aangepast.” Het zal dan ook niet verbazen dat het gerechtshof Amsterdam deze redenering niet volgt.

Daadwerkelijke APV-wijziging als peildatum

Wat wél in het voordeel van de gemeente Amsterdam pleit, is dat de APV minder dan een jaar na het verbod daadwerkelijk werd gewijzigd, zodat vanaf dat moment wel een toereikende grondslag voor handhavend optreden bestond. Het Gerechtshof Amsterdam neemt de datum van die wijziging daarom als peildatum voor de schadebegroting in zijn uitspraak van 10 februari 2026, die recent werd gepubliceerd als ECLI:NL:GHAMS:2026:332.

Dynamische vergelijking

Uit deze uitspraak blijkt dat bij het maken van een vermogensvergelijking niet alleen moet worden gekeken naar de feitelijke situatie en de situatie zonder het schadeveroorzakende feit, maar ook naar de vraag hoe betrokken partijen zich in die hypothetische situatie zouden hebben gedragen. De vergelijking is daarmee veel dynamischer en veel hypothetischer dan op het eerste oog lijkt. Zit u zelf met een vraag omtrent schade en aansprakelijkheid? Neem contact op met BENK Advocaten

Volgend bericht Uitspraak van de week: 'Zorgverleners, leg uw afweging over het medisch beroepsgeheim vast'
← Terug naar Actueel