Uitspraak van de week: ‘Zorgverleners, leg uw afweging over het medisch beroepsgeheim vast’

Het medisch beroepsgeheim vormt een belangrijk fundament van de gezondheidszorg. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat medische informatie vertrouwelijk blijft. Dat vertrouwen bevordert niet alleen de toegankelijkheid van de zorg, maar beschermt ook de persoonlijke levenssfeer van de patiënt.

Toch kunnen zorgverleners worden geconfronteerd met informatie die hen voor een lastig dilemma stelt. In uitzonderlijke situaties kan het belang van geheimhouding botsen met de noodzaak om ernstige schade voor anderen of voor de patiënt zelf te voorkomen. De zorgverlener staat dan voor de moeilijke keuze tussen het handhaven van het beroepsgeheim en het voorkomen van mogelijk ernstig nadeel.

Vijf recente uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg laten nog eens zien welke eisen worden gesteld aan een beslissing om het beroepsgeheim te doorbreken en onderstrepen vooral het belang van een zorgvuldige en goed gedocumenteerde afweging.

De casus

Tijdens een intakegesprek met een verpleegkundige van een GGZ-instelling zou een patiënt hebben verklaard dat hij, toen hij verpleegkundige in een ziekenhuis was, in meerdere gevallen zonder overleg met artsen zuurstoftoediening had stopgezet of de dosering morfine had verhoogd. Ook zou hij hebben aangegeven dat hij opnieuw de regie over leven en dood zou nemen.

Naar aanleiding van deze uitlatingen vond nog diezelfde dag een multidisciplinair overleg plaats tussen de verpleegkundige, een AIOS en twee GZ-psychologen. Volgens de betrokken zorgverleners leek sprake te zijn van ernstig verwijtbaar gedrag, gevaar voor derden en een risico op herhaling. De kwestie werd vervolgens anoniem besproken met een advocaat.

Een gespreksverslag van het intakegesprek werd, met toestemming van de patiënt, gedeeld met de praktijkondersteuner GGZ. Tijdens een vervolgintake, waarbij ook een klinisch psycholoog aanwezig was, werd het risico op herhaling juist als laag ingeschat, zolang de patiënt niet werkzaam zou zijn in de zorg en behandeling zou accepteren.

Na verdere (interne) besprekingen en aanvullend juridisch advies besloot de directie van de GGZ-instelling het betrokken ziekenhuis te informeren. Het ziekenhuis deed daarop aangifte bij de politie. De strafzaak tegen de patiënt werd uiteindelijk door het Openbaar Ministerie geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

Conflict van plichten: wanneer mag het beroepsgeheim worden doorbroken?

Een van de uitzonderingen op het medisch beroepsgeheim is het zogenoemde conflict van plichten. Daarvan kan sprake zijn wanneer een zorgverlener beschikt over vertrouwelijke informatie, maar het handhaven van de geheimhoudingsplicht ernstige schade voor de patiënt of voor anderen kan veroorzaken.

Volgens vaste jurisprudentie moet bij een beoordeling of een beroep op conflict van plichten gerechtvaardigd is, worden betrokken of:

  • alles in het werk is gesteld om toestemming voor doorbreking van de patiënt te verkrijgen;
  • het niet doorbreken van het beroepsgeheim ernstige schade kan opleveren;
  • de zorgverlener door handhaving van zijn zwijgplicht in gewetensnood verkeert;
  • geen andere mogelijkheid bestaat om het probleem op te lossen of het gevaar af te wenden;
  • het vrijwel zeker is dat de geheimdoorbreking de schade kan voorkomen of beperken; en
  • het beroepsgeheim niet verder wordt doorbroken dan voor het beoogde doel noodzakelijk is.

Verstrekken van informatie tijdens een politieverhoor

Drie van de vijf uitspraken hadden betrekking op zorgverleners die tijdens een politieverhoor informatie over de patiënt hadden verstrekt. Het Tuchtcollege heeft zich niet uitgesproken over de vraag of het beroepsgeheim daadwerkelijk mocht worden doorbroken, maar over de zorgvuldigheid van het besluitvormingsproces dat aan die beslissing voorafging.

Het Tuchtcollege oordeelde in alle drie de zaken dat de betrokken zorgverleners (wat betreft dit onderwerp) geen tuchtrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. Van doorslaggevend belang was dat zij niet lichtvaardig hadden gehandeld. De kwestie was uitvoerig intern besproken, juridisch advies was ingewonnen en de zorgverleners hadden zich tijdens de verhoren laten bijstaan door een advocaat.

In strafzaken geldt evenwel als uitgangspunt dat een zorgverlener zich kan beroepen op zijn verschoningsrecht. Dat betekent dat hij in beginsel niet verplicht is om informatie te verstrekken die onder het medisch beroepsgeheim valt. Slechts in uitzonderlijke situaties kan het belang van de waarheidsvinding zwaarder wegen.

Hoge drempel voor een conflict van plichten

Anders liep het af in de twee andere zaken. Daar stond centraal of de zorgverleners terecht op eigen initiatief informatie aan het ziekenhuis hadden verstrekt vanwege een vermeend conflict van plichten.

Het Tuchtcollege beantwoordde die vraag ontkennend.

Volgens het Tuchtcollege kon onvoldoende worden vastgesteld dat sprake was van concrete aanwijzingen voor een actueel risico op ernstige schade. Daarbij woog mee dat de patiënt niet langer werkzaam was als verpleegkundige en dat tijdens een gesprek met de patiënt het risico op herhaling juist als laag was ingeschat.

Daarnaast achtte het Tuchtcollege van belang dat onvoldoende was gebleken dat de patiënt daadwerkelijk was betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. Hoewel met hem was gesproken over de mogelijkheid van een melding, was niet voldoende geprobeerd om alsnog zijn toestemming voor gegevensverstrekking te verkrijgen. Juist daardoor kon volgens het Tuchtcollege niet worden vastgesteld dat sprake was van een situatie waarin melding aan derden het uiterste middel (ultimum remedium) vormde.

Wat betekenen deze uitspraken voor de praktijk?

De belangrijkste les uit deze uitspraken is dat niet alleen de uitkomst van de afweging van belang is, maar vooral ook de manier waarop die afweging tot stand komt. Zorgverleners doen er verstandig aan om:

  • de patiënt zoveel mogelijk (let op het bewaken van de vertrouwensrelatie) bij de besluitvorming te betrekken;
  • actief te onderzoeken of toestemming kan worden verkregen;
  • intern overleg te voeren met collega’s en deskundigen;
  • zo nodig juridisch advies in te winnen; en
  • de gemaakte overwegingen zorgvuldig vast te leggen.

Let daarbij wel op dat het medisch dossier tot doel heeft de kwaliteit en continuïteit van zorg te bevorderen en dat dit geen vehikel is voor maatschappelijke risicotaxaties.

Heeft u vragen over het medisch beroepsgeheim, in het bijzonder een conflict van plichten of anderszins over deze uitspraken? Neem dan gerust contact op.

Volgend bericht Krakers in je pand? Dit moet je regelen vóórdat je naar de rechter stapt
← Terug naar Actueel