Handelingen in de privésfeer: tuchtrechtelijk verwijtbaar?

In het tuchtrecht wordt het handelen (of nalaten) van een beroepsbeoefenaar getoetst aan twee tuchtnormen. Handelingen in de privésfeer vallen doorgaans niet onder het tuchtrecht. Toch zijn er gedragingen die wél tuchtrechtelijk kunnen worden getoetst. In deze blog leggen wij u uit wanneer handelingen in de privésfeer onder het tuchtrecht (kunnen) vallen.

Tuchtnormen

De tuchtrechter toetst een klacht aan twee tuchtnormen uit de Wet BIG. De eerste tuchtnorm heeft betrekking op het handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te betrachten. De directe relatie met de patiënt (en diens naasten) staat bij deze tuchtnorm centraal. U kunt hierbij denken aan het stellen van een onjuiste of te late diagnose, het onvoldoende informeren over de behandeling of het schenden van het beroepsgeheim.

De tweede tuchtnorm heeft betrekking op gedragingen die in strijd zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Deze tweede tuchtnorm is sinds 1 april 2019 ruimer in de wet geformuleerd. Door deze verruiming kunnen ook gedragingen in de privésfeer zonder enige relatie met de beroepsuitoefening worden getoetst. Een gedraging in de privésfeer is aan het tuchtrecht onderhevig indien de gedraging een gevaar voor patiënten kan opleveren of het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig kunnen schaden. Dit (privé)handelen moet zijn weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg.

Privé gedragingen die niet onder het tuchtrecht vallen

Het Centraal Tuchtcollege heeft zich herhaaldelijk uitgelaten over de vraag wanneer een handeling in de privésfeer onder de tweede tuchtnorm valt. Zo vond het Centraal Tuchtcollege dat een conflict tussen een man en een psychiater niet onder de tweede tuchtnorm valt.[1] De man verweet de psychiater dat deze een verhouding zou hebben met zijn (inmiddels ex-)vrouw, waarna er in de privésfeer een conflict ontstond waarbij de psychiater berichten aan de man toezond waarin hij verwijst naar psychiatrische ziektebeelden. Het Centraal Tuchtcollege oordeelde dat de uitlatingen van de psychiater weliswaar ongepast zijn, maar dat deze moeten worden gezien in het licht van het conflict tussen partijen, dat zich volledig in de privésfeer afspeelde. De uitlatingen hebben volgens het College onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg.

Het handelen van een tandarts die werd verweten middels een verborgen camera in de woning van zijn oom een pornofilm van klaagster te hebben gemaakt om te voorkomen dat klaagster de erfenis van deze oom zou ontvangen, viel volgens het Centraal Tuchtcollege ook niet onder de tweede tuchtnorm.[2] Het vermeende handelen is niet verweven met de hoedanigheid van tandarts en er is sprake van privégedrag. Dit privégedrag was volgens het College niet van invloed op de beroepsuitoefening. Hetzelfde gold voor een internist die als preses van de kerkenraad bij een conflict was betrokken.[3] Klaagster had volgens de arts een narcistische persoonlijkheidsstoornis waarvoor zij dringend professionele hulp moest inschakelen. Deze uitlatingen zijn volgens het Regionaal Tuchtcollege uitsluitend gedaan in zijn hoedanigheid van preses van de kerkenraad, waarbij hij zich steeds heeft gepresenteerd als privépersoon en niet als arts. Deze gedragingen hebben naar het oordeel van het College geen weerslag op het belang van de individuele gezondheidszorg. Het Regionaal Tuchtcollege verwijst in dit kader nog naar een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege waarin het College oordeelde dat gedragingen van een arts in de familieverhouding (ook) niet door het tuchtrecht konden worden getoetst.[4]

Privé gedragingen die wel onder het tuchtrecht vallen

Wanneer een gedraging in de privésfeer wel aan de twee tuchtnorm kon worden getoetst, was in de volgende zaken aan de orde. Zo werd een kinderarts die in de privétijd kinderpornografisch materiaal bekeek en in bezit had, de maatregel opgelegd van ontzegging van de bevoegdheid om het beroep als arts uit te oefenen ten aanzien van minderjarigen.[5] Hetzelfde gold voor een verpleegkundige die in zijn vrije tijd kinderpornografisch materiaal bekeek en in bezit had.[6] Een arts die in de privésfeer zijn sekspartner injecteerde met harddrugs, ten gevolg waarvan de partner is overleden, mocht van het CTG zich nooit meer in het BIG register laten inschrijven.[7] Evenals een verpleegkundige die tijdens seksfeesten mannen met HIV-besmet bloed injecteerde.[8] Het handelen van een arts die opdracht had gegeven voor moord op zijn vrouw, viel eveneens onder de tweede tuchtnorm.[9] De aanslag mislukte, maar de vrouw raakte ernstig verminkt.

Conclusie

Handelingen die zich in de privésfeer afspelen, vallen in het algemeen niet onder de tweede tuchtnorm. De voorbeelden waarin de tweede tuchtnorm van toepassing is verklaard bij privégedragingen laten zien dat dit anders is in uitzonderlijke gevallen. Nagenoeg alle gedragingen betreffen zeer ernstige (strafbare) handelingen (levens-, gewelds- en/of zedendelicten). Dergelijk handelen gaat naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet samen met de hoedanigheid van een BIG-geregistreerde hulpverlener.

Is er een klacht tegen u ingediend of heeft u vragen over uw (tuchtrechtelijke) aansprakelijkheid? Neemt u dan contact op met onze specialisten mr. Tessa Vollbehr en mr. Anthony Wijnberg.

 

 

[1] Centraal Tuchtcollege 31 juli 2018, ECLI:NL:TGZCTG:2018:230.

[2] Centraal Tuchtcollege 11 september 2018, ECLI:NL:TGZCTG:2018:246.

[3] Regionaal Tuchtcollege Den Haag 10 november 2020, ECLI:NL:RGZRSGR:2020:128.

[4] Centraal Tuchtcollege 3 maart 2020, ECLI:NL:TGZCTG:2020:61.

[5] Centraal Tuchtcollege 5 december 2017, ECLI:NL:TGZCTG:2017:326.

[6] Centraal Tuchtcollege 9 juni 2015, ECLI:NL:TGZCTG:2015:181.

[7] Centraal Tuchtcollege 11 oktober 2018, ECLI:NL:TGZCTG:2018:274.

[8] Regionaal Tuchtcollege Amsterdam 29 januari 2016, ECLI:NL:TGZRAMS:2016:14.

[9] Centraal Tuchtcollege 12 februari 2015, ECLI:NL:TGZCTG:2015:56.

Gezondheidsrecht

Auteur

mr. Tessa (T.M.) Vollbehr

Gepubliceerd op

09-04-2021

Rechtsgebieden

gezondheidsrecht