Uitspraak van de week: einde faillissement = einde zorgen om bestuurdersaansprakelijkheid?

Eind 2015 vestigt de Belastingdienst aandacht op een zorgonderneming met een bijzondere administratie. Uit boekenonderzoek blijkt onder meer sprake te zijn van ontbrekende stukken uit de administratie zoals jaarrekeningen, onvolkomendheden in personeels- en salarisadministratie en grote onttrekkingen (van ruim vier ton) aan het vermogen van de onderneming zonder duidelijke grondslag. De Belastingdienst legt in het laatste kwartaal van 2016 diverse vergrijpboetes en een verzuimboete op en niet veel later wordt het faillissement van de zorgonderneming uitgesproken.

De curator ziet goede gronden voor bestuurdersaansprakelijkheid, maar er blijken geen verhaalsmogelijkheden aanwezig te zijn bij de bestuurster tevens enig aandeelhoudster van de failliete onderneming. In 2019 wordt het faillissement opgeheven wegens gebrek aan baten en wordt de ontbinding geregistreerd. Een slotuitdelingslijst is niet opgesteld, waardoor geen ruimte is voor een eventuele heropening.

Nadat de bestuurster aan de dreiging van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 BW is ontkomen, richt zij in 2020 een nieuwe onderneming op in de vorm van een B.V. en blijkt zij een eenmanszaak te hebben. Uit de jaarrekening over 2019 van de eenmanszaak volgt dat de bestuurster aanzienlijke winst maakt. De oud-curator verzoekt na die ontdekking de vereffening te heropenen.  Op grond van art. 2:9 BW vordert de oud-curator als vereffenaar alsnog de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurster, mét een bestuursverbod op grond van de opgelegde vergrijpboetes.

In de procedure staat onweersproken vast dat de onttrekkingen niet correct zijn verwerkt in de administratie en dat daarmee de administratie van de zorgonderneming niet juist is bijgehouden. De rechtbank oordeelt bovendien dat de onttrekkingen niet ten goede zijn gekomen aan de zorgonderneming of om een andere reden gerechtvaardigd zijn in de gegeven financiële omstandigheden; bestuurster heeft immers verklaard dat het geld is verkwist door gokken en leningen aan een vriend. Dat daarnaast evenmin jaarrekeningen zijn opgesteld, de boekhouding incompleet was en er niet is voldaan aan de fiscale verplichtingen, doet de rechtbank oordelen dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Daar kan de bestuurster een persoonlijk verwijt van worden gemaakt, nu van haar als enig bestuurster mocht worden verwacht dat zij voldeed aan haar wettelijke, fiscale en financiële plichten en haar handelen was gericht op het belang van de zorgonderneming. Dat zij daartoe door aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet in staat was, doet daar niet aan af omdat het in dat geval op haar weg had gelegen om af te treden als bestuurster.

De bestuurdersaansprakelijkheid wordt dus toegewezen. Voor het gevorderde bestuursverbod geldt een andere uitkomst. De rechtbank oordeelt dat de handelingen van de bestuurster an sich aanleiding geven tot het opleggen van een bestuursverbod, maar de vergrijpboetes zien op handelingen uit 2014 en 2015. Gezien het feit dat het bestuursverbod in werking is getreden me de Wet civielrechtelijk bestuursverbod op 1 juli 2016 en gelet op de temporele reikwijdte van het bestuursverbod, kan deze vordering niet worden toegewezen. De bestuurster zal dus een bestuursfunctie mogen blijven uitoefenen. Wellicht dat zij vanwege de schrik van deze - voor haar mogelijke - onverwachte wending, die functie wat zorgvuldiger zal gaan uitoefenen.

Wilt u de uitspraak zelf lezen? Dat kan via deze link.

Faillissement.jpg

Auteur

mr. Esmee (E.N.) de Jonge

Gepubliceerd op

02-06-2023

Rechtsgebieden