Geschillen binnen de onderneming: het recht van enquête

Wanneer onenigheid ontstaat binnen een onderneming zijn er verschillende vormen van geschillenbeslechting mogelijk. In het artikel “Gedoe tussen aandeelhouders” hebben we al gewezen op de mogelijkheid van een vordering tot uittreding en op de mogelijkheid van het uitstoten van een aandeelhouder die zich misdraagt.

Het kan ook zijn dat belanghebbenden (zoals aandeelhouders of vakbonden) van mening zijn dat het door het bestuur gevoerde beleid schadelijk is voor de onderneming. Of daar op zijn minst een vermoeden toe hebben. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer een minderheidsaandeelhouder structureel informatie wordt onthouden door het bestuur. Als deze minderheidsaandeelhouder in de vergadering van aandeelhouders geen vuist kan maken, bijvoorbeeld omdat het bestuur gelijktijdig ook verbonden is aan de meerderheidsaandeelhouder of deze de meerderheidsaandeelhouder(s) voor zich heeft weten te winnen, dan biedt de reguliere weg om het bestuur tot verantwoording te roepen geen uitkomst.

 

Denkbaar is ook dat er sprake is van een relatief kleine onderneming waarbij twee aandeelhouders (beiden bestuurder) betrokken zijn. Zodra deze aandeelhouders met elkaar in onmin komen dan kan een zogenaamde “dead-lock situatie” ontstaan. Er is geen aandeelhouder die een beslissende stem heeft en de onderneming kan in dat geval stuurloos worden.

 

Het recht van enquête

Voor onder meer deze situaties kent de wet “het recht van enquête”. Dit recht maakt het mogelijk om (na tussenkomst van de rechter) een onderzoek in te stellen naar het gevoerde beleid en de gang van zaken binnen de rechtspersoon. De Ondernemingskamer behandelt dit soort verzoeken. De Ondernemingskamer is bevoegd om diverse (tijdelijke) maatregelen te treffen die nodig zijn om het onderzoek deugdelijk te laten verlopen. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • Het schorsen of vernietigen van door het bestuur of door de commissarissen genomen besluiten
  • Schorsing of ontslag van bestuurders of commissarissen
  • Tijdelijke aanstelling van een of meer bestuurders of commissarissen
  • Tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer
  • Ontbinding van de rechtspersoon

De procedure

De procedure verloopt in drie fasen. Als eerste zal de belanghebbende in zijn of haar verzoekschrift aannemelijk moeten maken dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid binnen de onderneming te twijfelen. Als dit door de Ondernemingskamer wordt aangenomen treedt de tweede fase aan. De Ondernemingskamer benoemt een of meer onderzoekers. Deze onderzoekers hebben in het kader van de aan hen verleende opdracht een grote hoeveelheid bevoegdheden. Zij hebben toegang tot de administratie van de rechtspersoon en personen binnen de rechtspersoon kunnen door de onderzoekers worden gehoord. De onderzoekers kunnen zelfs worden gemachtigd om inzage te verkrijgen in de administratie van andere aan de onderzochte rechtspersoon verbonden rechtspersonen.

 

De onderzoekers leveren uiteindelijk een verslag aan over de gang van zaken binnen de rechtspersoon. Nadien treedt de derde fase aan. De belanghebbende verzoekers kunnen vervolgens op basis van het verslag de Ondernemingskamer verzoeken uit te spreken dat er sprake is van wanbeleid.  Daarbij kunnen één of meer van de eerder genoemde voorzieningen worden getroffen. Zoals gemeld kan de Ondernemingskamer deze maatregelen al in een eerder stadium treffen indien de noodzaak daartoe bestaat.

 

In veel gevallen komt het overigens niet tot deze derde fase. De partijen die een enquêteverzoek tot de Ondernemingskamer richten zijn namelijk ook vaak bezig met een schadeclaim uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid tegen de bestuurders en commissarissen. Het verslag van de onderzoeker biedt in dat geval al de gewenste informatie zonder dat een nadere maatregel is vereist.

 

Voor vragen over het recht van enquête kunt u zich wenden tot mr. A. Gras.

overleg

Gepubliceerd op

26-06-2018

Rechtsgebieden

Ondernemingsrecht