Wanneer kan een kind de huur voortzetten na overlijden ouder?

Wat wordt daar nu precies onder verstaan? De jurisprudentie op dit punt is wisselend.

Eerlijk gezegd vond ik een eerdere uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam uit 2018 iets te  hardvochtig: het hof had geoordeeld dat de zoon, ondanks het feit dat hij al vijf jaren bij zijn moeder had ingewoond en voor haar gezorgd had, de woning toch na haar overlijden diende te verlaten omdat er volgens het hof geen sprake was van een duurzame en gemeenschappelijke huishouding: door de verzorging was de relatie te eenzijdig, van wederkerigheid was al met al onvoldoende sprake en derhalve was de samenwoning niet duurzaam gemeenschappelijk.

Uit een recente uitspraak blijkt dat een iets menselijkere en barmhartigere benadering ook mogelijk is.

Recent heeft namelijk het hof Amsterdam geoordeeld dat een zoon, na een jarenlange  inwoning en verzorging van zijn moeder, na haar overlijden wél in de woning mocht blijven. Deze rechters waren van mening dat er dit keer wél sprake was van een duurzame en gemeenschappelijke huishouding.

Uitgangspunt is uiteraard dat een samenwoning tussen een ouder en een kind een aflopende situatie is. Een kind behoort op eigen benen te gaan staan en uit te vliegen. In sommige gevallen blijft een kind echter in de woning of keert daar, na uitgevlogen te zijn, naar terug. Geoordeeld moet dan worden of er tussen de ouder en het kind een duurzame gemeenschappelijke huishouding is ontstaan.

Uit vaste rechtspraak blijkt dat er zowel objectieve als subjectieve factoren hiervoor van belang zijn. Objectieve factoren zijn bijvoorbeeld de duur van de gemeenschappelijke samenwoning en het gezamenlijk voorzien in de kosten van huisvesting en huishouding. Subjectieve factoren zijn te vinden in de bedoeling van de familieleden: wat stond hen bij het (weer) gaan samenwonen voor ogen.

Het hof heeft bij de beoordeling van de objectieve factoren gekeken of moeder en kind gezamenlijk voorzagen in de kosten van huisvesting en in de kosten van levensonderhoud, of zij gezamenlijk huishoudelijke taken verrichtten, of zij gezamenlijk de maaltijden bereidden en gebruikten, of ze ook gezamenlijk invulling gaven aan hun vrije tijd en of ze gezamenlijk deelnamen aan het sociaal verkeer.

Naast deze objectieve factoren spelen ook subjectieve factoren en daarbij heeft het hof gekeken of de terugkeer en de samenwoning wel of niet als een tijdelijke bedoeld was en of de moeder en het kind een voortdurende samenlevingssituatie voor ogen stond. De samenleving moet dan dus zijn ingegeven door bijvoorbeeld de permanente behoefte aan gezelschap, hulp en verzorging. Uiteraard ligt de bewijslast van de objectieve en subjectieve factoren op het kind dat het gebruik van de woning na het overlijden van zijn ouder wil voortzetten.

Wanneer een inwonend kind bovenvermelde factoren in voldoende mate kan bewijzen, is er dus sprake van een duurzame en gemeenschappelijke huishouding.

Het hof was dit keer al met al van mening dat er voldoende aanknopingspunten waren om de samenlevingssituatie tussen moeder en zoon als een wederkerige te zien én deze niet als een tijdelijke en aflopende, maar juist als een vaste en bestendige te kwalificeren. De huishouding was derhalve zowel een duurzame als een gemeenschappelijke  geweest. Dit leidde er toe dat de vordering van het kind werd toegewezen en de zoon de bewoning in het voor hem zo bekende en vertrouwde huis mocht voortzetten. Wat mij betreft een juist (en humaan) oordeel.

Wilt u meer weten over deze kwestie of andere huurrechtelijke onderwerpen, neemt u dan contact met mij op?

 

Mr. Elizabeth Stegeman, specialist huurrecht

06 – 2929 3638 of 050 – 544 5382

stegeman@benkadcocaten.nl

huizen

Auteur

mr. Elizabeth (W.E.A.) Stegeman

Gepubliceerd op

10-11-2020

Rechtsgebieden

Huurrecht